Het ontstaan als gevolg van veenwinning

Het huidige Paterswoldsemeer was tot halverwege de 18e eeuw een zompig veenmoeras: 'Het Neerwold'. Vanaf 1740 begon een aantal Friese families met het afgraven van het laagveen. De Friezen hadden ervaring met het afgraven van veen opgedaan in hun thuisprovincie. Toen het veen in Friesland opraakte, vestigden deze families zich langs de Hoornsedijk en later ook langs de huidige Meerweg.

Op de 'kaart van Groningen en Ommelanden' (zie hieronder) door F. Beckeringh (1781) is te zien hoe vanaf de Hoornsedijk de wieken (sloten) waarlangs het veen werd afgevoerd, het moeras doorsnijden. Het veen werd gedroogd en tot turf verwerkt op zogenaamde legakkers. De turf diende als brandstof voor fabrieken en voor de verwarming van de huizen in Stad en Ommeland. Veenschippers vervoerden de turf via het Hoornsediep (toen nog de Drentse Aa) naar de stad. In de loop van de jaren werden steeds grotere oppervlakten van het veen afgegraven.

Vanaf 1820 startte men ten zuiden van de Schipsloot (langs de huidige Meerweg) met de vervening van het Friescheveen. Het meer bereikte zijn huidige vorm, of liever gezegd de vorm die het tot de uitbreiding in de zeventiger jaren had, rond 1830. Wel verdwenen na deze tijd nog wat kleine eilanden en legakkers.

Lees verder:

Het begin van de recreatie

kaartje